Blog
5 veelgemaakte fouten in het Engels
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave
[smartslider3 slider="18"]
1. May / might
De woorden may en might worden vaak door elkaar gehaald en voor dezelfde betekenissen gebruikt. Toch is er een klein verschil tussen beide woorden: May wordt gebruikt om uit te drukken wat mogelijk of feitelijk is. Het gaat om situaties die kunnen (en hoogstwaarschijnlijk gaan) gebeuren.- “We may go to the zoo.”
- “If I win the lottery, I might buy a new house.”
2. Because / since
Beide woorden, because en since, duiden een deelzin aan en verbinden het resultaat in een zin met de bijbehorende reden. Because hangt samen met een oorzakelijk verband en wordt vaak aan het eind van een zin gebruikt. Because gebruik je als er meer nadruk op de reden gelegd moet worden.- “We can’t come Sunday, because Peter has got to work.”
- “Since we work from home, there’s no need to dress up for work anymore.”
3. That / which
Which en that worden in het Engels elke dag gebruikt. Maar gebeurt dit ook op de juiste manier? That is een restrictief voornaamwoord en geeft informatie die essentieel is voor de betekenis van een zin. That impliceert hiermee dat er meerdere opties zijn. Zo impliceert de zin hieronder dat de persoon meer dan één fiets heeft.
- “My bike that has a flat tire is in the garden.”
- “My bike, which has a flat tire, is in the garden.”
4. Than / then
Bij mondelinge communicatie is het verschil tussen than en then niet van belang. Wél als je deze woorden moet schrijven. Beide woorden worden namelijk in verschillende situaties gebruikt. Than gebruik je als je iets aan het vergelijken bent. In het Nederlands vertaal je than als ‘dan’.- “She is taller than her sister”
- “He is better than his friend.”
- “I was living in New York back then.” (toen)
- “Go to the end of the street, then turn left.” (daarna)
- “I’ll see you then.” (dan)
5. Fewer / less
Fewer en less worden geregeld door elkaar gebruikt. Toch moeten beide woorden in verschillende situaties gebruikt worden, die niet moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Als je dus eenmaal het verschil weet, is het geen grote uitdaging om de woorden op de juiste manier te gebruiken. Fewer gebruik je als je verwijst naar de meervoudsvorm van mensen, dieren en dingen. Je moet het dus kunnen tellen.
- People are buying fewer cars.
- Fewer students go to college.
- At home I listen to less music.
- They pay you less money.